
Blog Jantine Kremer
Niets te verbergen
Sich einigeln. Zo noemen onze oosterburen het sluiten van de gordijnen bij het vallen van de avond, zich erachter terugtrekkend zoals een egel zich oprolt met zijn stekels als pantser tussen hem en de buitenwereld. De gordijnen lang openlaten, lijkt typisch Nederlands; loop eens na zonsondergang door een stad en de kans is groot dat je getuige bent van meerdere glimpjes onbekend huishouden: er zit iemand ingespannen achter een laptop, ergens ligt een kind voor de televisie, een volle wasmand staat op tafel, een kringverjaardag loopt wat uit. Het komt zelden voor dat je iets ziet wat je beter niet had kunnen zien.
Het niet sluiten van de gordijnen schijnt iets te maken te hebben met de Nederlandse calvinistische volksaard: ze laten graag zien dat ze niets te verbergen hebben – God ziet immers alles. En Nederlanders tonen ook graag – en dat is minder calvinistisch – hoe mooi ze het voor elkaar hebben. Dat is niets nieuws; bij de opkomst van het gordijn in de zeventiende eeuw, waren de meters weelderige stoffen helemaal niet bedoeld voor het buitensluiten van de nieuwsgierige blikken. Daar waren de luiken voor. De adel en rijke burgers gebruikten gordijnen juist om hun rijkdom te etaleren.
Op een plek niet ver van de kapschuur op de Paltz, waar de Douglas sparren zich speciaal in een kring hebben geschaard, heeft Katharina Busl hun samenscholing benadrukt met theatrale draperieën. Vanaf een meter of 5 hangt ongebruikelijke gordijnstof in scherpe plooien naar beneden, de hoogte van de bomen accentuerend. Eenmaal binnen de kring van sparren, stuit ik op een ongemakkelijk hoekig podium, waarop buitenproportioneel grote oren me bewust maken van elke beweging en elk onbedoeld geluid. De excellente manier waarop de in München geboren Busl dramatische plooien in het weerbarstige, weersbestendige materiaal heeft weten te maken, leiden bijna af van de donkere camouflageprint die het heeft. De ongebruikelijke combinatie doet me denken aan een nieuwsbericht over een opblaasbare tank die werd ingezet in Oekraïne. Even leek het een grap. Een opblaastank is vanzelfsprekend vele malen goedkoper dan een echte tank, maar het kan ook precies niets. Alleen doen alsof.
Maar eigenlijk is dat precies wat al eeuwen wordt toegepast tijdens oorlogen: misleiding. Afgekeken van het dierenrijk, werd de camouflageprint ingevoerd tijdens de Eerste Wereldoorlog, maar meer dan 2500 jaar geleden schreef de Chinese militair strateeg Sun Tzu ook al dat alle oorlogsvoering gebaseerd is op misleiding. En hoewel we vooral bekend zijn met visuele camouflage, bestaat audiomisleiding ook. In 1943 richtten de Amerikanen The Ghost Army op, met als enig doel een arsenaal aan zinsbegoochelingen te ontwikkelen. Zij fabriceerden ook al opblaastanks, maar zetten tevens luidsprekers in om geluiden van elders aanwezige legereenheden in de buurt van de frontlinie te laten weerklinken. Interessant genoeg bestond deze eenheid niet uit soldaten, maar uit kunstenaars.
Busl lijkt met haar tientallen meters camouflagezeil en buitengewone oren deze geschiedenis te laten herleven. Op de Paltz, binnen gehoorsafstand van een voormalig militaire vliegbasis, werkt ze haar magie met het scherp stellen van de grenzen tussen illusie en realiteit. Want niet alleen in tijden van oorlog viert manipulatie hoogtij. Het hele leven is ervan doordrongen. Wat laat je precies zien? En wat heel specifiek niet? Maar de vraag is ook: wie geeft betekenis aan wat jij toont? Iets dichter op de huid dan gordijnen: vorige zomer verschenen verschillende artikelen over de immer terugkerende trend van camouflageprint in mode. Kan het gedragen worden als vorm van verzet? Of is het juist een uiting van extreem rechts? Of van het gedachteloos shoppen met een voorkeur voor donkergroen? Volgens Vanessa Friedman, chef Mode van The New York Times, werkt kleding op twee manieren: ‘Hoe we informatie over onszelf naar de wereld uitdragen – onze identiteit, onze gemeenschap of onze aspiraties – en hoe de wereld ‘leest’ wie we zijn.’ In het theater zijn de gordijnen onderdeel van een afspraak tussen de spelers en het publiek. Het gordijn gaat open, de fictie vangt aan. Bij beeldende kunst is het niet veel anders. Alles staat precies zoals de kunstenaar het heeft bedacht, de opening is voltrokken, de toeschouwer wordt toegelaten. De kunstenaar is de regisseur, ze laat exact zien wat ze wil laten zien, maar tegelijkertijd kan ze onmogelijk alle denkbare associaties van de kijker beheersen.
De avond valt. Als ik nog even doorwerk, haal ik de deadline misschien. Ik laat mijn kind toch maar voor de tv hangen en die mand waarin de was al drie dagen als een grote prop bivakkeert, wordt nog een dag langer genegeerd. De gordijnen? Die vergeet ik.