Blog Jantine Kremer
Perspectiefwisseling
In mijn gedachten klim ik de eerste vierkante grote trede op, balanceer ik knielend van het ene wiebelende plateau naar het volgende en klauter ik via een andere route weer een stukje omlaag. Ik sta gebogen over Schaalmodel voor ludieke trap (1968) van Constant Nieuwenhuys. In mijn hoofd bevindt het zich in een grote ruimte, waar ik eindeloos, al klimmend en dalend, mijn perspectief kan aanpassen. Het idee van de beweeglijke trap past naadloos in Constants visie van New Babylon, de stad van de toekomst waar de Homo Ludens geheel vrij spel krijgt. Een aantrekkelijke utopie.
De wenteltrap die Krystel Geerts op de Paltz heeft geïnstalleerd lijkt eveneens niet op een traditioneel bruikbare trap. Maar speels voelt het niet en utopisch al helemaal niet. Eerder gevaarlijk, een onneembare vesting. De eerste trede van de wenteltrap zit voor mij rond ooghoogte, maar problematischer zijn de treden zelf: ze lijken vloeibaar, van hun functionele horizontaliteit af te glijden, waardoor de hoogte in gaan duidelijk geen optie is.
Geerts beeldhouwt haar monumentale werk niet. Ze kneedt, slaat, gooit en duwt kleihoeveelheden tot wel 800 kilo in vorm. Een fysieke strijd waarbij ze haar hele lichaam inzet – van vingertop tot bal van de voet – om het spanningsveld tussen vorm en drager op scherp te zetten. Als de vorm van haar werk eenmaal vereeuwigd is in een mal, gebruikt ze de klei opnieuw. Met de rijke oppervlaktestructuur van haar sculpturen, de dramatische lichtdonkercontrasten, de zwaartekracht tartende dynamiek, is de barok voor Geerts een bron van inspiratie. Afgelopen winter werkte ze niet alleen aan de trap voor de Paltz, maar maakte ze ook het meer dan tweeëneenhalve meter hoge This weight stayed with me. Het torent boven me uit als een tot leven gekomen ionische zuil. Als uitgangspunt nam ze een deel van Bernini’s L’Estasi di Santa Teresa, een van de meest expressieve en wervelende beelden van de barok, gemaakt voor de Santa Maria della Vittoria te Rome.
Nu we in Rome beland zijn, wil ik graag een zijweg inslaan. Ik hoop dat je even meeloopt, het is namelijk wel een half uurtje wandelen. We gaan zuidwaarts en we moeten glinsterend Vaticaanstad voor nu even negeren. We zijn namelijk op weg naar Campo de’ Fiori, waar we een veel nieuwer beeld zullen aantreffen; een meer dan levensgrote man, hoog op een sokkel, gestoken in een sobere pij, zijn gezicht half verscholen in zijn kap en een dik boek geklemd tussen zijn handen en zijn bovenbeen. Bernini stond nog nauwelijks in zijn kinderschoenen, toen Giordano Bruno (filosoof, wetenschapper, priester) begin 1600 op deze plek naar de brandstapel werd begeleid. Waarom? Omdat hij niet geloofde dat de zon het middelpunt van het heelal was. En de mens dus ook niet. Hij geloofde echter wel degelijk in het goddelijke. Voor hem was het in alles, van het kleinste insect tot het meest imposante bergmassief. Stel je voor.
Zijn standbeeld, de hoge sokkel opgeluisterd met portretten van acht andere wetenschappers, filosofen en humanisten die het kerkelijk dogma ook naast zich neer durfden te leggen, staat er al ruim honderddertig jaar. We weten allang dat we als mens oneindig nietig zijn, maar de overtuiging dat alles toch om ons draait is hardnekkig. Misschien omdat het idee al meer dan 2000 jaar oud is; de hiërarchie van Aristoteles’ Scala naturæ – de ladder van het leven – plaatst de mens direct onder de Goden en boven dieren en planten. Onderaan bungelen water en gesteente. Hoe hoger op de ladder, hoe meer macht. Een goed passend uitgangspunt voor het christelijk scheppingsverhaal; de mens als daverend slotstuk, door God aangewezen hoeder van al wat leeft. Dat we deze rol niet zo goed aan kunnen, omschrijft David Attenborough even eenvoudig als hartverscheurend; ‘This is now our planet, run by humankind for humankind. There is little left for the rest of the living world.’
We hebben Rome achter ons gelaten. Tijd om Geerts’ trap te beklimmen. Ik dacht dat het niet kon, maar het kan toch. Ik denk mezelf net wat atletischer, ik negeer de onneembare oppervlaktestructuur van de treden en begin de tocht. Als ik eenmaal de eerste trede genomen heb, wentel ik moeiteloos door tot ik boven ben. De perspectiefwisseling ontvouwt zich radicaal. Al ben ik nog lang niet ter hoogte van de boomkruinen, toch kijk ik de vogels die er zingen in hun ogen, ruik ik de mieren op de grond en hoor ik hoe het water zich in de stammen rondom een weg baant naar boven.