Ontmoetingsruimte

blog Jantine Kremer

KCCM – Alle wezens, klein en groot

Er is een fruitvlieg in mijn thee geland. Als ik een poging doe het diertje eruit te vissen met het theelabel, lukt dat wel, maar ik weet niet zeker of ik op tijd ben. Mijn oog valt op de tekst die het kartonnetje opluistert: May all living creatures be happy. Dat klinkt goed. Het voelt alsof ik door het drinken van mijn thee alle levende wezens op aarde geluk en blijheid toewens. Maar is dat wel genoeg?

Volgens wetenschapper en schrijver Charles Foster lijkt er al eeuwenlang een oprechte behoefte te bestaan om menselijke en dierlijke werelden te verenigen. Kijk maar naar alle mythen over goden die veranderen in dieren, kijk naar de vroegste grottekeningen en kijk al die kinderen die zich graag als dier verkleden, zegt hij. Maar misschien zijn we de laatste eeuwen wel vrij gemakzuchtig geworden in het blij maken van dieren. En selectief. We fluisteren onze kat in de vensterbank zoete woorden toe, maar die mieren in de keuken, die weren we, of die kleine krachtpatsers daar nou gelukkig zijn of niet. Dus zelfs als ik de miljoenen tot halffabricaten gereduceerde dieren buiten beschouwing laat, durf ik wel te stellen dat het gat tussen ons en het dierenrijk behoorlijk gaapt. Foster – er als kind al van overtuigd dat dieren iets weten wat hij niet weet – doet er persoonlijk alles aan om dat gat te dichten. En als ik zeg alles, dan mag je dat vrij letterlijk nemen. In een zelfgegraven dassenburcht bracht hij weken ondergronds door. Hij leefde ‘s nachts, dutte overdag en leerde, met zijn neus dicht bij de aarde, te vertrouwen op zijn geurorgaan. At hij ook wormen? Ja! Het hoofdstuk over de das in zijn boek Being a Beast (2016) begint zelfs met een uitgebreide uiteenzetting van de smaakverschillen.

Cathelijne Montens en Krijn Christiaansen van ontwerp- en kunstenaarsduo KCCM hebben zijn boek ook gelezen. Het staat beduimeld op de plank in het tuinhuis op de Paltz, dat als uitvalsbasis fungeert voor hun onderzoek naar mogelijkheden om dieren te ontmoeten. Tijdens hun eerste kennismaking viel het KCCM op dat het landgoed, ondanks de hoge concentratie groenbeleving, wel heel nadrukkelijk vanuit menselijk perspectief is aangelegd. Meneer Raatjes, die het landgoed in de jaren 80 kocht, liet niet alleen de waterval bouwen, maar zorgde ook voor de aanleg van het brede klinkerpad en de plaatsing van de talrijke, robuuste diervoederplekken. KCCM heeft net als Raatjes de wens om dieren van dichtbij mee te maken, maar draaide het om: in plaats van dieren naar zich toe te lokken, ging ze op zoek naar de door dieren zelfgekozen routes. De wildcamera-beelden die ze met dat doel maakten, bekijk ik zittend op een klein krukje in het tuinhuis, terwijl een hoornaar om mijn hoofd zoemt. De beelden zijn magisch. In grijswit zie ik een das een slokje nemen uit de vijver, een vos langs het hek lopen, een ree alert opkijken. Ik zou hier uren naar kunnen kijken. Maar ik moet naar buiten, zelf midden in de nacht op mijn buik in de door KCCM gemaakte, met klinkermotief gecamoufleerde tent op het klinkerpad gaan liggen om te wachten tot de das zich aandient. Ik zou het pak dat in het tuinhuis hangt aan moeten trekken, om – in Montens woorden – mijn menselijkheid een beetje uit te wissen en te voorkomen dat ik met mijn mensengeur de dassen op afstand hou. Een eindje verderop op het pad, in het volle daglicht, lijken de bosmieren die ik vanaf een stretcher kan bekijken, zich juist helemaal niets van mij en mijn mensengeur aan te trekken. Mijn blote benen negerend, blijven ze onverstoorbaar hun klusjes klaren.

Voor KCCM zijn deze observatieposten nog maar een begin. ‘Om de complexiteit van de manier waarop dieren communiceren beter te begrijpen, kunnen we deze pogingen hen te ontmoeten steeds verbeteren.’ Zowel in hun rol als kunstacademiedocent als vanuit hun eigen kunstenaarspraktijk speelt het landschap en de manier waarop mens en dier dat gezamenlijk gebruiken een grote rol. Wederkerigheid is onlosmakelijk verbonden met deze zoektocht naar harmonieuze cohabitatie. We hebben elkaar nodig. Onze westerse blik is nog niet zo gewend aan de gelijkwaardigheid van mens en dier die daaruit spreekt, maar in boeddhistische kloosters reciteren monniken al duizenden jaren dagelijks ‘Mogen alle levende wezens gelukkig zijn’. Geen onderscheid, van de machtigste mens op aarde tot het fruitvliegje in mijn thee. Ik heb zelf een nieuw briefje gemaakt. ‘Mogen alle levende wezens gelukkig zijn’ staat erop. Het hangt naast mijn bed. Ik lees het elke dag.

In 2026 mogelijk gemaakt door:



Volg PaltzBiënnale