
Blog Jantine Kremer
Landgoedwolf
Ik heb een plekje in de ochtendzon gezocht en zwaar tegen mijn been leunt een warm, harig lijf. Haar vacht glanst en de lange haren van haar oren bewegen zachtjes in de wind. Af en toe draait ze haar kop en kijkt ze met haar goudgele ogen naar me op. Ik denk graag dat ik enigszins in contact sta met de natuur als ik met mijn geurspoorvolgende Canis Familiaris door het bos struin. Dat ze slechts een wel heel verre achternicht is van de wolf weet ik ook wel, maar als ik bruin-wit gevlekte honden zie op schilderijen van Jan Steen, kan ik zomaar denken dat juist mijn prachtige mensenvriend nog best veel van de wolf heeft. Toch? Als dit type 400 jaar geleden ook al bestond? Maar dat was voor ik me realiseerde dat het al 150.000 jaar geleden is dat de wolf onder leiding van de mens langzamerhand gedomesticeerd raakte. En ook voordat ik het schilderij zag met een guitig, maar fragiel ogend hondje, óp tafel naast een even fragiel, porseleinen kopje, volstrekt van alle roofdierkwaliteiten beroofd. Het werd geschilderd door de Italiaanse Giovanna Garzoni, die Jan Steens moeder had kunnen zijn.
Dat juist de wolf getemd is tot het meest geliefde huisdier, zegt misschien veel over de aantrekkingskracht tussen mens en wolf. Heeft het met hun wijsheid te maken? De hechtheid van hun roedels? Hun speelsheid of het feit dat de vrouwtjeswolf vrijwel altijd de eindbaas is? Dat ze toch een dodelijk slechte reputatie verwierven begon al duizenden jaren geleden, toen de mens veehouder werd. Wolf en mens waren niet langer metgezellen – daar was de hond inmiddels voor – ze waren voedselconcurrenten geworden. De wolf kreeg te maken met een stortvloed aan nepnieuws, verpakt in fabels en sprookjes. In 1484 werden de Fabels van Aesopus voor het eerst in Engeland gepubliceerd – waarin de wolf vrijwel altijd zijn tegenspeler opeet – en binnen 300 jaar waren alle wolven uit Groot-Brittannië verdwenen. De angst voor wolven was enorm en het gevoel voor rechtvaardigheid bij het uitmoorden ook. Op een gigantisch jachtschilderij uit 1616 van Rubens torenen mannen op paarden hoog boven de in het nauw gedreven wolven uit.
In Nederland hebben we er ook een tijd alles aan gedaan de wolf weg te jagen. Maar ze is terug. En over de Paltz loopt er een. Rechtop. Je kunt haar spotten met een bezem, een kruiwagen of geknield bij een van de kunstwerken voor een poets- of reparatieklusje. Ze draagt zelfs een belletje. Ideaal. Zo hoeft niemand bang te zijn en hebben we er ook nog wat aan. Voorspelbaar, veilig, nederig en nuttig. Zo zien wij onze dieren graag. Maar als ik de kleine paadjes van de Paltz neem, merk ik toch dat ik wat zenuwachtig ben om haar te treffen. Want hoe moet ik reageren? Toen ik vorige zomer met mijn kind over de Veluwe fietste, was ik voorbereid. Ik wist wat ik moest doen bij een confrontatie met een wolf. Maar hoe reageer ik op deze Paltz-bewoner? Blijkbaar hetzelfde als ongeveer iedereen: Dag Wolf.
Agata Siwek groeide op in een klein dorp in Polen, omringd door bossen en turfgrond. Ze aten uit hun moestuin en in het bos zochten ze naar bramen en paddenstoelen. Later verhuisde ze naar Krakau, met uitzicht op de bergen. Hier in Nederland mist ze niet alleen de bergen, maar ook de onbestemde, wilde ruimte. Dus voelt ze zich het meest thuis op vergeten, oninteressante plekken, waar ze vrij spel heeft. Voormalig fabrieksterreinen bijvoorbeeld, waar niemand iets te zoeken heeft, ook natuurbeschermingsorganisaties niet. Ik denk dat Siwek die vrijheid de natuur ook toewenst. Om met rust gelaten te worden, zodat planten kunnen groeien waar ze floreren, dieren kunnen leven waar ze het best gedijen. Mensbemoeienisvrij. En dus is er dat aaibare pak, de wolf met een rol, als in een boosaardig sprookje. Maar in dit sprookje zijn het niet de tanden van het roofdier die blikkeren, maar lijkt het – als je heel goed kijkt – verdacht veel op de uitrusting van de natuurconsument die daar glinstert tussen de bomen.
Siwek noemt het woord verschilligheid, mensen met uiteenlopende standpunten die daar ook daadwerkelijk voor staan. Daar houdt ze van. Als ik later bij de giftshop van de wolf sta, verzekert een medebezoeker mij; ‘Als er een wolf bij jou door de straat loopt, ben je echt niet blij hoor.’ Ze vertelt uit ervaring. En toch denk ik: ik weet het niet. Misschien zou ik wél blij zijn. Maar ik ben Siwek niet. Verschilligheid vergt heel wat nadenken. Ik zeg niets, maar koop het kleurboek van de wolf.